Ritselingen van Michael Frijda heeft zowel de trekken van een sprookje als van een familiegeschiedenis. De sfeer in de roman is grimmig, ongemakkelijk, tragisch, maar op enkele momenten toch ook komisch en absurd. Door de afwezigheid van concreet aangeduide namen, locaties en periodes sluipt er bovendien een spannende onbepaaldheid in het verhaal, waardoor het hier en nu kan zijn, en altijd en eeuwig. Daarnaast bevat Ritselingen vele poëticale opmerkingen over de onontkoombaarheid van het vertellen van verhalen, waarmee de roman in één beweging het eigen bestaansrecht onderstreept.

In Ritselingen wordt het verhaal verteld van een houthakker en zijn manke zoon Kareltje. Het tweetal woont diep in het bos, onder weinig comfortabele omstandigheden. Op zekere dag vraagt Kareltje om een hert. Terstond trekt de houthakker het woud in. Hij wil er veel aan doen om zijn zoontje, die een moeder moet missen, gelukkig te maken. ’s Avonds keert de houthakker terug. Vol trots toont hij Kareltje een jong hert dat hij de keel heeft doorgesneden. ‘Hoe zullen we hem bereiden?’ vraagt de vader.

Maar dat was natuurlijk de bedoeling niet. Het kind verlangde een levend hert, bij wijze van huisdier. Het is een van de eerste scènes uit het boek, en de toon is er meteen mee gezet. Vader de houthakker zal voortdurend het beste voor ogen hebben, maar steeds net het verkeerde kiezen.
Als in een goed sprookje is er vanzelfsprekend het kwaad. En het kwade wordt hier voorgesteld door de kaasboer, die buiten het bos woont met zijn gezin. Frijda suggereert dat de kaasboer tijdens de Tweede Wereldoorlog de verkeerde kant koos, en zelfs een NSB-uniform droeg. Concreet benoemt Frijda dit gegeven echter niet, waardoor het gelezen kan worden als de eeuwig terugkerende misstap uit elke oorlog. De kaasboer blijkt de vrouw van de houthakker verkracht te hebben. De vader van de houthakker, de stroper genaamd, verkracht uit wraak de vrouw van de kaasboer. Uit dit korte samenzijn wordt een dochter geboren. Maar pas aan het eind van de geschiedenis, als de verhalen van de houthakker, diens vader, de stroper, en van diens vader weer, de schilder, én van de kaasboer en van al hun vrouwen, moeders, grootmoeders en overgrootmoeders verteld zijn, dan pas weet je wie zij is, en hoe zij zich verhoudt tot de anderen. Zo blijft tot op het laatst toe verrassend hoe iedereen familie van elkaar is, en hoe het ene familieverhaal het andere genereert. Het is een eindeloze reeks, waarvoor geldt dat zolang mensen zich voortplanten er verhalen blijven ontstaan. In meer algemene zin kun je dit opvatten als het bestaan van een dierlijke, instinctmatige drang om verhalen te vertellen. De idee dat literatuur een luxeproduct zou zijn wordt hierdoor doeltreffend ontzenuwd, want zonder verhalen bestaan wij niet.

Tot slot: de haast mathematische rechtlijnigheid in Frijda’s benadering van de familiegeschiedenis maakt Ritselingen compositorisch tot een gaaf en fascinerend werk, gesteld in sobere, doeltreffende, soms poëtisch klinkende zinnen. Inhoudelijk gezien werpt deze aanpak een nieuw licht op de familiegeschiedenis. Al met al bepaald geen onaanzienlijke bijdrage die Frijda met deze originele roman aan de literatuur levert.

Amsterdam, 27 maart 2006 

De jury

Guusje ter Horst, voorzitter
Hans Maarten van den Brink
Bart Keunen
Daniëlle Serdijn
Wim Vogel

Michael Frijda - Ritselingen