Indringend, en gesteld in poëtische zinnen vertelt de Vlaming Elvis Peeters, die zijn roman De ontelbaren schreef in samenwerking met partner Nicole van Bael, het verhaal van Europa, dat overspoeld wordt door hordes vreemdelingen. Uit alle windstreken komen ze, en het is duidelijk wat hen drijft: de hoop op een beter bestaan. In een nuchtere, bijna documentaire weergave toont de schrijver zowel het perspectief van de migranten als dat van de bewoners van het ontvangende land.

De ontelbaren laat zich lezen als een allegorisch verhaal. Het verbeeldt de angst voor het oncontroleerbare en ensceneert de onzekerheidsgevoelens van de Europeanen. Peeters toont de lezer een continent dat op drift raakt, en steeds meer de trekken krijgt van een steppe met ronddolende bevolking. Aanvankelijk lijkt het probleem van deze nieuwe nomaden iets marginaals, maar geleidelijk aan raakt de samenleving vergaand ontregeld en wordt de wereld herschapen tot één grote ‘uitzonderingstoestand’. Een nachtmerrie wordt werkelijkheid of, om gelijkgestemde woorden van W.B. Yeats te gebruiken: ‘Things fall apart, the centre cannot hold.’

Daarnaast is de roman ook een parabel over de wijze waarop mensen reageren op de onbekende, de ander. De autochtone Belgen, in De ontelbaren voorgesteld als de buurmannen Brackx en Schrijvers, hebben allen begrip voor de nieuwkomers. In hun plaats zouden zij hetzelfde doen. Maar wat de sociale en natuurlijke omgeving in rap tempo onleefbaar maakt, zo lees je bij herhaling, is dat de vluchtelingen met zo velen zijn. Het gevolg is dat de omgeving uitgeput raakt; er zijn simpelweg te weinig middelen om iedereen te voeden en te huisvesten. Een van de buurmannen merkt op: ‘Een ellende dat is het, voor ons, maar voor hen is het gewoon, wij moeten het leren.’ En zo is het. De Belgen proberen zich op allerlei manieren aan te passen: ze proberen afspraken te maken, samen te werken, maar de macht van het getal maakt het onmogelijk tot een vergelijk te komen. Er zijn simpelweg te weinig middelen om eerlijk te verdelen over een almaar groter wordende groep mensen.

Met grote precisie toont Peeters hoe deze Belgen de westerlingen symboliseren en hoe de westerse wereld haar welvaartsmodel uitdraagt maar aan die exportwoede geleidelijk te gronde gaat. Het Westen mag dan het centrum van de wereld zijn – het centrum slaagt er niet in stand te houden.

De roman ontwikkelt zich, ten slotte, tot een apocalyptisch ondergangsverhaal. Alledaags ogende personages verdierlijken, de wereld verandert in een onmenselijke habitat. De climax van het verhaal, het derde deel, is een waar inferno: ‘Overal as,’ schrijft Peeters, ‘geblakerde grond, smeulende wrakken. Geen plek om opnieuw te beginnen, om een bed te maken.’ Zo eindigt het verhaal, bijna zoals het begon. Maar deze keer is het probleem universeel: er zijn geen uitwijkmogelijkheden meer. De reis van de gehele mensheid is ten einde.

In dit filosofisch slotakkoord wordt de mens voorgesteld als een flexibel wezen dat zichzelf voortdurend opnieuw moet uitvinden en gedoemd is eeuwig in beweging te blijven; eeuwig op zoek is om het universele verlangen ‘ergens een bed te maken’ in te lossen. Dit verlangen overstijgt de politieke, religieuze en economische verschillen tussen mensen. 

Amsterdam, 27 maart 2006 

De jury

Guusje ter Horst, voorzitter
Hans Maarten van den Brink
Bart Keunen
Daniëlle Serdijn
Wim Vogel 

Elvis Peeters - De ontelbaren