Inleiding

Van de veelvuldig becommentarieerde crisis in het boekenvak heeft de jury weinig gevolgen gemerkt. In elk geval niet in de hoeveelheid aangebrachte boeken, waarvan een behoorlijk deel eerder door de uitgevers leek te zijn ingezonden om de auteurs te plezieren, dan uit een oprecht vertrouwen in literaire verdiensten van de betreffende roman. Daartegenover staat een levendige oogst van tientallen boeken die de juryleden niet hadden willen missen.

Over de gehele linie, van de tragische misbaksels tot de beste boeken, trof de jury een groot aantal inzendingen aan – ruim een kwart van het totaal - van wat zich het best laat karakteriseren met het containerbegrip non-fictieroman. Niet omdat er in die romans niets of te weinig verzonnen zou worden, maar omdat de schrijvers ervan zich nadrukkelijk verbonden met de werkelijkheid. Deze non-fictieromans verschenen in verschillende gedaanten. Er waren romans waarin dorpen of hele landen door populistische regimes werden bestuurd. Verschillende dystopieën doken op – en overigens geen enkel Utopia. Schrijvers fictionaliseerden het leven van een historische figuur of een deel ervan, namen de Tweede Wereldoorlog als achtergrond – en aan de vooravond van het herdenkingsjaar 2014 dook ook de Grote Oorlog op. Ook waren er ‘gewone’ historische romans, boeken die als onverbloemd autobiografisch geschrift weinig aan de verbeelding overlieten, of romans die nadrukkelijk probeerden de (economische) wereldorde in literatuur te vatten.

De opkomst van de non-fictieroman sluit aan bij geleidelijk vervagende grenzen tussen de genres. Non-fictieschrijvers maken al jaren gebruik van in de literatuur ontwikkelde verteltechnieken. Ook wijdt de non-fictie zich de laatste tien jaar niet meer alleen aan de overdracht van kennis, maar ook aan die van gevoelens. De spiegelbeeldige ontwikkeling is nu te zien in fictie. Daarin wordt een grote hoeveelheid, controleerbare en soms ook daadwerkelijk gecontroleerde informatie overgedragen. Zo grepen de juryleden herhaaldelijk naar Wikipedia om de precieze context van een romanpassage helder te krijgen – of te ontdekken dat een auteur welbewust van de gedocumenteerde werkelijkheid afweek. Daarmee is op geen enkele manier een waardeoordeel bedoeld: literaire kwaliteit schuilt in de wijze waarop een schrijver met zijn materiaal omgaat, niet in de herkomst.

Waarom er juist nu zoveel non-fictieromans verschijnen is moeilijk te zeggen. Vanaf zijn ontstaan is de roman het meest vormeloze, hybride van alle literaire genres geweest. Maar al was hij als genre buitengewoon flexibel, hét kenmerk dat hem onderscheidde van andere prozateksten was fictionaliteit. In de loop van de geschiedenis hebben heel wat romanschrijvers gespeeld met dat spanningsveld tussen fictie en werkelijkheid. Ze gebruikten technieken als het gevonden manuscript, ingelaste documenten, de dagboek- of briefvorm. Niet toevallig kwam juist die fictionaliteit onder vuur te liggen in de revolutionaire jaren zestig, toen schrijvers de werkelijkheid om politieke of artistieke redenen belangrijker vonden dan fictie. Dus noemden zij hun boeken niet langer ‘roman’, maar document, reportage of project. Ze hadden ze ook best non-fictieromans kunnen noemen, al was het maar omdat ze functioneerden in het circuit van romans en literatuur.

Deze ontwikkeling lijkt zich nu te herhalen, ditmaal zonder dat schrijvers afstand doen van het etiket ‘roman’. Die benaming heeft blijkbaar voordelen, waarvan sommige prozaïsch zullen zijn zoals de mogelijkheid om mee te dingen naar bepaalde literaire prijzen. De non-fictieroman getuigt van een frisse belangstelling voor de wereld en zijn verleden, maar ook van het najagen van media-aandacht. Commercieel succes wordt in hoge mate bepaald door de mogelijkheid om de schrijver van het boek te ‘verkopen’ aan boekenprogramma’s, actualiteitenrubrieken en TV- praatshows. De auteur moet zijn boek dan kunnen duiden voor een groot en divers publiek dat het nog niet kent. Bij non-fictie wil dat nog wel lukken. De moord op een politieke figuur, of een bokser die ook buiten de ring gewelddadig is, het publiek heeft erover in de krant gelezen en kan zich er iets bij voorstellen. Bij pure fictie is dat moeilijker.

Maar als de media geneigd zijn om meer aandacht te besteden aan boeken die een 'kwestie' aansnijden dan aan literatuur omwille van zichzelf, waarom geven sommige schrijvers van non-fictieromans er dan niet de voorkeur aan om meteen non-fictie te schrijven? Het antwoord schuilt mogelijk in de aloude overtuiging dat literatuur essentiëlere dingen over de werkelijkheid zegt dan een feitenverslag, of de veronderstelling dat lezers gemakkelijker meeleven met een verbeelde dan met een louter afgebeelde werkelijkheid. 'Fictie liegt de waarheid' is een slogan die auteurs graag tot de hunne maken.

De verklaring kan ook banaler zijn: in een roman hoeft niet alles gecheckt te worden, het hoeft feitelijk niet tot in detail te kloppen, het mag leuker, spannender, erger… gemaakt worden.

Niet alle genomineerde romans vallen onder dezelfde noemer. Van de zes boeken op de shortlist zijn er drie als non-fictieroman te bestempelen, is er één puur fictief en proberen er twee nadrukkelijk aan te sluiten bij de politiek-economische realiteit. Inderdaad: de grenzen zijn niet eenvoudig te trekken. Wel zijn al deze romans van uitzonderlijke kwaliteit, waarmee de jury zich gelukkig prijst.

Dit alles overwegend, heeft de jury besloten de volgende zes romans te nomineren voor de Libris Literatuur Prijs 2014:

Amsterdam, 3 maart 2014

De jury

Paul Witteman, voorzitter
Hugo Brems
Arjen Fortuin
Gemma Nefkens
Marjolijn Pouw